De wereld van Robert
De wereld van Robert
MENSENRECHTEN EN DE GUILLOTINE
zondag 15 februari 2009
Is het te kort door de bocht om te stellen dat het levensverhaal van de guillotine een mooie allegorie is voor het levensverhaal van de vrijmetselarij? Velen zullen uitdrukkelijk stellen van niet. Desondanks zal ik pogen het tegendeel aan te tonen.
De guillotine is onlosmakelijk verbonden met de Franse revolutie. Geconfronteerd met het acute probleem van systematische executies van politieke tegenstanders op massale schaal voldeden de technieken van terechtstelling in het ancien régime niet langer. Het gebruik van de bijl en de strop was omslachtig, bloedig en tijdrovend, en liep regelmatig fout af. De guillotine was dan ook een innoverend stukje spitstechnologie. Snel, efficiënt en pijnloos kon het regime afrekenen met haar tegenstanders, haar cri de guerre indachtig. Want liberté, égalité, fraternité, ou la mort is het wezen van elke revolutie.
De guillotine is het geesteskind van de Franse arts Joseph I. Guillotin (1738-1814). Deze revolutionair van het eerste uur was in de vrije uurtjes ook vrijmetselaar. Guillotin geloofde onwankelbaar in de wetenschap, en was een hervormer en innovator op vele maatschappelijke terreinen. Hij was niet alleen aanhanger van het sciëntisme maar ook waarlijk progressief in volle lengte, breedte en diepte. Zijn guillotine begon als egaliserende oplossing voor een probleem van discriminatie dat zich manifesteerde in de executiemethoden. Voor de revolutie was de executiemethode onlosmakelijk verbonden met de sociale stand van een persoon. Edellieden werden met het zwaard of de bijl omgebracht, dieven werden opgehangen, ketters op de brandstapel gezet en op régicide of koningsmoord stond vierendeling. Guillotin vond deze ongelijkheid in de uitvoering van de bestraffing een republiek onwaardig, waar elke burger gelijk was voor de strafwet. Dezelfde misdaden moeten bestraft worden met dezelfde straffen, onafhankelijk van de hoedanigheid van de dader. De gelijkheidsgedachte moest worden doorgetrokken van de wieg tot in de doodskist. De guillotine was aldus een garantie voor absolute gelijkheid. Verder was ze tevens de uitdrukking van een grote humane bekommernis om het leiden van de geëxecuteerde. Snel en pijnloos werd hij of zij van het hoofd verlost.
Guillotin vroeg en kreeg toestemming van de Franse Assemblée Nationale Constituante om de invoering van de guillotine als enig middel om de doodstraf te voltrekken in december 1789. Naarstig ging hij aan de slag en begon zijn wiskundige geest toe te wijden aan het ontwikkelen van een efficiënt moordsysteem. Na veel studie en proefondervindelijke toetsing aan de hand van mensenlijken kon het systeem geperfectioneerd worden. Het eerste slachtoffer van de automatische valbijl was Nicolas Pellentier (...), die op 25 april 1792 het tijdelijke voor het eeuwige wisselde. Het zou niet het laatste slachtoffer zijn.
De moordmachine kreeg in de volksmond al vlug verschillende koosnaampjes, zoals daar zijn le rasoir national, le moulin à silence, la cravate à Capet en la veuve. De vrijmetselaars noemen zich ook graag kinderen van de weduwe. Met de moord op Hiram Abiff, de architect van de tempel van Salomon, werd elke vrijmetselaar een weeskind van het licht en de waarheid. Deze eretitel delen zij aldus met de vele tienduizenden kinderen van de door middel van de guillotine terechtgestelde staatsgevaarlijke burgers.
Guillotin heeft zich altijd verzet tegen het feit dat de guillotine naar hem werd vernoemd. Begrijpelijk, want wie ziet graag zijn naam verbonden aan een dergelijk gruwelwerktuig. Maar even begrijpelijk is het anderzijds dat het geesteskind vernoemd wordt naar de geestelijke vader ervan. Ook Guillotin valt tijdelijk in onmin van het Franse terreurregime, maar maakt geen kennis van zeer nabij met zijn uitvinding. Na de dood van Maximilien M.I. de Robespierre (1758-1794) legt hij zich volledig toe op de geneeskunde. Onder het consulaat wordt hij aangesteld om het eerste nationale programma voor openbare gezondheidszorg in Frankrijk op poten te zetten. Hij bleef een toegewijde humanist tot op het einde. De Franse schrijver Henri Pigaillem (1958) wijdt in 2004 zelfs een boek aan hem getiteld le docteur Guillotin, bienfaiteur de l’humanité. Hij overlijdt uiteindelijk ten gevolge van antraxvergiftiging.
De guillotine werd een belangrijk exportproduct van de Aufklärung en verspreidt zich over Frankrijk, België, Zwitserland en Duitsland, in het kielzog van de Franse veroveringstroepen. Het bekendste slachtoffer van de guillotine was zonder twijfel koning Lodewijk XVI van Frankrijk (17-1793), die op 21 januari 1793 zonder hoofd het aardse voor het hemelse verruilde. Het laatste slachtoffer van de guillotine op Franse bodem werd in 1977 geëxecuteerd. In 1981 werd met de afschaffing van de doodstraf ook de guillotine op zolder gezet. De guillotine was ook later nog een succesnummer. Onder de indruk van haar efficiëntie gaf Adolf Hitler opdracht om twintig stuks te bouwen. Tussen 1933 en 1945 verloren aldus 16.500 mensen het hoofd.
De guillotine was het wetenschappelijke antwoord van les lumières op een aantal praktische problemen en diende tegelijkertijd een nobel, verheven en humaan doel. De bekommernis om de pijn en het leiden van de slachtoffers van de automatische valbijl te minimaliseren was oprecht in hoofde van Guillotin en consoorten. Maar wat heeft de vrijmetselarij nu met de guillotine van doen? Veel en weinig op hetzelfde moment.
Formeel staat de vrijmetselarij volledig los van het moordwapen. Het was niet op commando of bevel van een of andere grootmeester of obediëntie dat het wapen werd geproduceerd of geconcipieerd. Maar het is ontsproten aan dezelfde ethische en morele filosofische grondbeginselen waaruit de vrijmetselarij is ontstaan. Anno 2009 is het bijzonder moeilijk voor de man in de straat om zich in te leven in de noodzaak en het gebruik van een dergelijke moordmachine. Want is de doodstraf niet onmenselijk, en gaat dat niet in tegen de fundamentele rechten van de mens? Volgens de revolutionaire opstellers van de déclaration universelle des droits de l’homme et du citoyin vormde de doodstraf, en de efficiënte en humane uitvoering ervan d.m.v. een guillotine geen enkel probleem. Want is een revolutionair niet gemachtigd, in het uiterste geval met geweld, in opstand te komen tegen elke tiran van de menselijke vrijheid en het volk, die op dogmatische wijze verhindert om vrij en vranke burger te zijn? Heeft een revolutionair niet zowaar de plicht om in extreme gevallen ook extreme methodes toe te passen, tot meerdere eer en glorie van de maakbare samenleving?
Albert Pike beantwoorde deze vraag alvast bevestigend in zijn Morals and Dogma of the Ancient and Accepted Scottish Rite of Freemasonry. En tot op heden wordt deze wijze les van de hogegradenvrijmetselarij nog steeds aangeleerd aan de uitverkorenen. De Franse revolutionairen, geestelijke familie van die andere kinderen van de Verlichting, de vrijmetselarij, zetten dit beginsel dan ook in de praktijk om. De onthoofding van de ‘tirannieke’ Lodewijk XVI was daarvan het symbolische bewijs. Maar ook de Glorious Revolution van 1689 in Engeland werd voorbereid door de terechtstelling van een koning. Karel I van Engeland, Schotland en Ierland (1600-1649) werd in 1649 onthoofd, met de botte bijl weliswaar, op bevel van de religieuze revolutionair, Oliver Cromwell (1599-1658). Het lot van zijn Franse collega was dan ook als een vooruitgang te bestempelen. Deze was ten minste pijnloos gestorven. De Glorious Revolution is evenzeer een schatplichtig cultuurproduct van de Verlichting dat leidde tot formele oprichting van de georganiseerde vrijmetselarij te Londen in 1717. En verwondert het dan ook dat de Russische revolutionairen de Russische tsaar, Nicolaas II van Rusland (1868-1918), en zijn ganse gezin hebben geëxecuteerd, toen zij het logische vervolg van de Franse revolutie in Rusland aanvatten?
Vandaag de dag zijn vrijmetselaars radicaal tegen de doodstraf gekant in naam van de rechten van de mens. In revolutionaire tijden waren vrijmetselaars radicale voorstanders van de doodstraf, in naam van diezelfde rechten van de mens. Een totaal tegengestelde praktische positie in totaal andere omstandigheden van tijd en ruimte. Maar steeds een gevolgtrekking van diezelfde basisfilosofie, de Verlichting, het geloof in de dwangmatige en opgelegde verbetering van de mens en de samenleving tegen wil en dank. Inzake praktische politiek veranderen vrijmetselaars zeer regelmatig van oplossing. Maar hun gewortelde overtuiging verandert nooit.
In 2003 werd dit nog maar eens bevestigd door de progressieve passionaria Kristien Hemmerechts. Deze vrijzinnige schrijfster en feministe van het eerste uur was regelmatig te gast in het panel van wijzen, dat in het populaire debatprogramma Goedele op VTM een moreel oordeel moest vellen over een of andere actuele kwestie. Natuurlijk was Hemmerechts tijdens een memorabele uitzending tegen de doodstraf, maar kon ze het niet laten in volle ernst de guillotine en het historisch gebruik ervan toch als wetenschappelijke en humane oplossing te bewieroken. Want de alternatieven en antecedenten waren veel erger. Een redenering die evengoed geldt voor de historische invoering van de inquisitie in vergelijking met de irrationele absurditeiten van het strafrecht zoals ze voordien werden beoefend. Maar niemand zal het in zijn hoofd halen een dergelijke ethische luxediscussie te voeren bij zo een omstreden onderwerp als de inquisitie. Dat is niet keurig.
De vrijmetselarij steekt haar sympathie voor het idee, de beginselen én de uitwassen van de Franse revolutie niet onder stoelen of banken. Zo telt het Belgische Grootoosten een loge, n° 84 Les Droits de l’Homme in het Oosten Mons (Bergen), die in 1982 het levenslicht zag. De Franse revolutie werd in naam van de rechten van de mens ondernomen. Verder telt het G.O.B. ook een loge, n° 117 Marianne in het Oosten Marbaix-la-Tour, die in 1996 het levenslicht zag. Deze vrouw symboliseert de strijd van de kinderen van de Verlichting tegen de onderdrukking van de tirannie. Een andere loge is n° 65 Robespierre in het Oosten Visé (Wezet) die in 1976 het levenslicht zag. Robespierre is de verpersoonlijking van het machiavellisme van de revolutie waarbij het nobele doel de gewelddadige middelen heiligt. Tevens kent de G.O.B. een loge, n° 40 L’Incorruptible in het Oosten Seraign, die in 1958 werd opgericht. L’Incorruptible is een bijnaam die Robespierre met fierheid droeg. Ze verwijst naar zijn principiële standvastigheid in het uitvoeren van zijn heilige missie, zonder zich te laten vermurwen tot enig compromis. Het bekendste lid van deze laatste loge was overigens André H.P. Cools (1927-1991). Cools was Waals-regionalistisch politicus en de grote roerganger van de Parti Socialiste in het Zuiden van België. Hij is in zeer verdachte omstandigheden om het leven gebracht en werd doodgeschoten in Luik toen hij zijn woning verliet. De ware toedracht voor de moord op Cools heeft nooit het brede publiek bereikt. De hoofdverdachte, Alain Van der Biest (1943-2002), pleegde later zelfmoord in even verdachte omstandigheden. In de nasleep van het moordonderzoek kwamen een aantal prominente corruptieschandalen aan het daglicht, met name de Agusta-, Dassault- en OMOB-affaires. Dit leidde tot ongewild ontslag van de voltallige top van de socialistische partij. Guy G.A.G. Spitaels (1931), Guy Mathot (1941-2005) en Guy Coëme (1946) verlieten het politieke schouwtoneel aan Franstalige zijde. In Vlaanderen moest secretaris-generaal van de NAVO Willy W.H. Claes (1938) opstappen. Toeval of niet, maar Cools, Van der Biest, Spitaels, Mathot, Coëme en Claes waren allen eveneens vrijmetselaars, naast prominente socialistische politici.
De vrijmetselarij is een revolutionaire ideeënbeweging en komt daar ook voor uit. Zij willen de oude orde integraal vervangen door een nieuwe orde. En de geboorte daarvan is een lang proces, dat niet louter de menselijke natuur wil ombuigen maar evenzeer de menselijke geest wil ombouwen. Revolutionairen gebruiken dan ook niet altijd en overal fysiek geweld om hun doel te bereiken. Maar ze blijven wel steeds revolutionair in wezen, ook op momenten waarop langdurig geen geweld wordt gebruikt. Het praktische gebruik van geweld hangt af van praktische omstandigheden, en is altijd zeer kort, in vergelijking met de perioden van filosofische en geweldloze revolutievoering. Vroeg of laat breekt echter een nieuwe geweldgolf aan in het Kantiaanse proces van these, antithese en synthese, en wordt zonder blikken of blozen de mens opnieuw herleid tot waardeloos kanonnenvlees en -bloed, zonder hogere waarde, die pour le besoin de la cause mag worden opgeofferd op het altaar van de Verlichting.
Maar de kinderen van de revolutie vertonen nog een andere constante. Vroeg of laat vallen zij zelf te prooi aan de revolutie die zij hebben doorgevoerd. Een bittere vorm van laattijdige rechtvaardigheid? Niet in mijn opinie, maar spijtig genoeg een historische constante.
Van de huidige generatie kerk- en wereldleiders werd de laatst jaren gevraagd zich publiekelijk te verontschuldigen voor tal van historische gebeurtenissen die bekeken met een moderne bril als wreed of onmenselijk overkomen. Dit is in essentie historisch revisionisme van de wereldgeschiedenis. Dit publiek rouwbeklag werd dan ook systematisch afgeleverd, en wordt regelmatig overgedaan. Steeds ging dit gepaard met een inhoudelijke veroordeling en afstandneming van de vermeende historische transgressies. Maar door de actuele kleinkinderen van de Verlichting en de Franse revolutie, waartoe de georganiseerde vrijmetselarij behoort, werd een dergelijke publieke verontschuldiging nog nooit gedaan, laat staan geëist. Nog nooit hebben deze waterdragers van de nieuwe orde zich verontschuldigd voor de honderden miljoenen mensenlevens die geofferd werden op het bloedige altaar van de vooruitgang en de revolutie.
Een dergelijke mea culpa zou ook niets voorstellen omdat dit ten gronde dat niets verandert aan de feiten het verleden. De doden blijven dood, de schuldigen blijven ongestraft, en hun wandaden blijven verheerlijkt en de gevolgen ervan onverminderd van kracht. Zij kunnen zich trouwens niet verontschuldigen, bij elk gebrek aan schuldbesef en dus berouw. Want deze geplande en systematische geweldspiraal van massamoorden blijft het fundament van de huidige samenleving en haar instellingen. De moderne maatschappij en haar revolutionaire beginselen wordt als een progressief en superieur cultuurproduct gezien dat buiten categorie is. De vaders van de Verlichting waren weliswaar geen Übermenschen, maar hun filosofische beginselen beschouwen zij wel onaantastbare Überprinzipien. De zegeningen hiervan moeten kost wat kost behouden blijven, en zonder deze massamoorden zouden deze zegeningen er vandaag niet zijn. Dus zijn de doden spijtige, maar noodzakelijke offers waarvan geen afstand kan worden gedaan. Hemmerechts opmerking moet dan ook in dit kader worden gezien en begrepen.
Wie de mens tot God verheft in de naam van de rechten van de mens neemt een grote verantwoordelijkheid op zich. De praktijk van de denkers en doeners achter de déclaration universelle staat haakrecht op haar goede bedoelingen. Goede bedoelingen zijn echter maar al te vaak bitter. De weg naar de hel op aarde is namelijk geplavijd met goede bedoelingen.
‘Liberté, égalité, fraternité ou la mort!’ was de cri de guerre van de Franse revolutionairen. En ze hielden woord. Tussen de 300.000 en 500.000 mensen werden opgeruimd om plaats te maken voor de hemel op aarde.